Hoera: een minister die oproept de rechtsstaat actief te verdedigen

Auteur: Onno Bosma.


Minister Sigrid Kaag (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) pleitte 30 september 2018 in haar Abel Herzberglezing voor een strijdbaarder antwoord op xenofobie, nationalisme en ‘het tribale identiteitsdenken’. Ze noemt ‘de stilte van het zwijgen’ een sluipend gevaar dat onze waarden en uiteindelijk ons allemaal bedreigt. Ze oogstte naast veel bijval ook kritiek, bijvoorbeeld in twee opiniestukken in NRC-Handelsblad.

Paul Scheffer, sinds mensenheugenis en langzamerhand nogal voorspelbaar schrijvend over de gevaren van de multiculturele samenleving, verwijt Kaag dat ze het niet heeft over de falende elites.
Ze had met hartstocht moeten spreken over de grote banken, waarvan de cultuur tien jaar na de financiële crisis niet wezenlijk is veranderd. Ze zit in een regering die de dividendbelasting wil afschaffen, een besluit dat de diepe onrechtvaardigheden symboliseert die mensen in de armen van populisten drijft.
Scheffer gebruikt een klassieke debattruc: hij bekritiseert Kaag niet om wat ze in haar lezing heeft gezegd, maar om wat ze onbesproken liet. Eigenlijk suggereert hij dat de minister geen recht van spreken heeft, omdat ze faalt als deel van de elite die het populisme vleugels geeft.

Maar Kaag heeft natuurlijk wél recht van spreken en wat ze zegt is des te relevanter omdát ze minister is. Misschien had het haar betoog nog sterker gemaakt als ze de dilemma’s had benoemd die haar positie met zich meebrengt: zo is ze inderdaad medeverantwoordelijk voor een maatregel die mensen terecht des duivels maakt. Maar ze deed in haar lezing wat we zo graag willen en wat zelden gebeurt: een lid van de regering die een eigen geluid laat horen dat er niet om liegt. Een geluid, waarmee ze focust op één cruciaal thema: we mogen niet stil blijven zitten als de grondslagen van onze rechtsstaat worden ondermijnd. Kaag noemt Wilders en Baudet niet en evenmin hun buitenlandse voorbeelden, maar wij en zij weten dondersgoed wie ze bedoelt.

Baudet voelt zich in elk geval aangesproken, ook hij reageert in NRC-Handelsblad. Zijn betoog valt deels samen met dat van Scheffer: de elitaire Sigrid Kaag zit in een ivoren toren van VN-organisaties (bah!) en D66-feestjes (foei!) en ze ontmenselijkt haar tegenstanders door ze de meest onaangename zaken aan te wrijven. Kaag lastert dus volgens Baudet. In zijn opiniestuk bewijst hij echter zelf weer eens dat hem geen onaangename zaken worden ‘aangewreven’, maar dat het gaat om door hem ondubbelzinnig geformuleerde opvattingen. Zo plaatst hij zich in NRC-Handelsblad in de traditie van de Hongaarse premier Orbán, wiens systematische aantasting van de rechtsstaat op 12 september leidde tot een ongekende veroordeling door een grote meerderheid van het Europese Parlement. In Hongarije zijn kranten gesloten, universiteiten bedreigd met sluiting en werd het politieke partijen onmogelijk gemaakt om campagne te voeren. Maar ja, de mening van het Europese Parlement telt voor Baudet niet, dat bolwerk van ‘supranationale besluitvorming, Europese eenmaking en mensenrechtenhoven.’ Voor Baudet zijn mensenrechten er voor ons in onze veilige nationale staten, niet voor hún daarbuiten. En evenmin daarbinnen, als ze van het verkeerde geloof zijn.

Met zijn sneer naar de mensenrechtenhoven illustreert Baudet bij uitstek de urgentie van Kaags boodschap. Scheffer slaat de plank hopeloos mis met zijn verwijt dat de minister (deze keer) alleen het gevaar benoemt en niet de oorzaken van de bereidwilligheid waarmee mensen achter de populisten en nationalisten aanlopen. Daarover wordt terecht al veel gezegd en geschreven. We moeten ook niet zwijgend maar vaak en luid sprekend op de bres staan voor onze rechtsstaat en haar verworvenheden.